Cherchi & De Vos

Juridische actualiteit en blog

Blog

Innovatie & AI
15 Nov 2025
Innovatie in de Juridische Sector

De evolutie van bemiddeling en de strategische rol van AI voor advocaten.

Fiscaliteit
13 Nov 2024
Zonder fotografisch dossier, geen belasting: Gemeenten tot de orde geroepen

(Hof van beroep van Brussel, 13.11.2024)

Internationale fiscaliteit
15 Jan 2025
Kan werken in het buitenland een vaste inrichting creëren?

De OESO verduidelijkt het kader voor grensoverschrijdend werk vanuit een thuiswerkplek of een “andere relevante locatie”.

01 Jan 2026
De belasting op meerwaarden

Financiële meerwaarden: de taks van 10% komt eraan (deze keer echt)

Grondrechten
08 Jan 2026
Wanneer de fiscus te ver gaat: EHRM veroordeelt gebrek aan waarborgen bij toegang tot bankgegevens

Toegang tot bankgegevens zonder onafhankelijke controle: schending van artikel 8 (EHRM, 8 januari 2026).

Innovatie & AI
15 november 2025

Innovatie in de Juridische Sector

De Evolutie van Bemiddeling en de Strategische Rol van Kunstmatige Intelligentie voor Advocaten

Ontdek hoe innovatie de juridische praktijk transformeert door bemiddeling te herdenken en kunstmatige intelligentie te integreren als een strategische hefboom voor het advocatenberoep.

1. De transformatie van de juridische praktijk

Huidige context van het recht in het digitale tijdperk

De juridische praktijk ondergaat een belangrijke transformatie onder invloed van digitalisering en technologische innovatie. De implementatie van online platformen, elektronisch dossierbeheer en het gebruik van gespecialiseerde software hebben de kwaliteit en snelheid van juridische diensten geoptimaliseerd.

De uitdagingen voor professionals

Rechtsprofessionals staan voor verschillende belangrijke uitdagingen: snel nieuwe digitale vaardigheden verwerven, de regelgeving inzake bescherming van persoonsgegevens respecteren en de veiligheid van elektronische uitwisselingen waarborgen.

2. Bemiddeling heruitgevonden door innovatie

De evolutie van conflictoplossingspraktijken

Bemiddeling ondergaat een diepgaande transformatie dankzij technologische vooruitgang. Online platformen bieden een beveiligde interface voor het houden van sessies op afstand, waardoor bemiddelaars effectief kunnen interveniëren.

De voordelen van de nieuwe techniek

De integratie van deze innovaties maakt het mogelijk snellere, efficiëntere en economischere diensten aan te bieden. Door de oplossingstermijnen te verkorten en interventie op afstand te vergemakkelijken, verbeteren deze tools de klanttevredenheid.

3. Kunstmatige intelligentie als strategische hefboom

Concrete toepassingen van AI in de juridische praktijk

Documentanalyse-tools maken het mogelijk contracten of dossiers geautomatiseerd te beoordelen. Geautomatiseerd juridisch onderzoek vergemakkelijkt de toegang tot relevante jurisprudentie. Sommige AI-systemen kunnen de waarschijnlijke uitkomst van een geschil voorspellen door eerdere beslissingen te analyseren.

Integratie van AI in dossierbeheer

AI verbetert de efficiëntie van interne processen, vergemakkelijkt de opvolging van de voortgang van zaken en automatiseert taken zoals facturatie. Het gebruik van chatbots zorgt voor gepersonaliseerde begeleiding en verbetert de klantervaring.

Ethische en regelgevingsvraagstukken

De transparantie van algoritmen, de bescherming van persoonsgegevens en de aansprakelijkheid bij fouten vormen belangrijke uitdagingen. Professionals moeten waarborgen dat de deontologische normen strikt worden nageleefd.

4. Conclusie

De integratie van technologische innovaties vertegenwoordigt een belangrijke kans voor de juridische sector. Professionals moeten een proactieve aanpak aannemen door te investeren in hun opleiding en deze technologieën in hun dagelijkse praktijk te integreren om diensten van betere kwaliteit te bieden.

Fiscaliteit
13 november 2024

Zonder fotografisch dossier, geen belasting: Gemeenten tot de orde geroepen

(Hof van beroep van Brussel, 13.11.2024)

Sommige Belgische gemeenten hebben een belasting ingevoerd op volledig en/of gedeeltelijk leegstaande gebouwen. Dit is onder meer het geval in de gemeenten Meise, Ternat, Zemst, Wemmel en Vilvoorde, die elk een belastingreglement hebben vastgesteld dat op hun grondgebied van toepassing is.

De aanwezigheid op het gemeentelijk grondgebied van volledig of gedeeltelijk leegstaande gebouwen, evenals van verwaarloosde terreinen, kan volgens deze gemeenten de aantrekkelijkheid van de betrokken wijken aantasten, in het bijzonder wanneer deze goederen langs de openbare weg gelegen zijn, en zowel de woonontwikkeling als de commerciële en economische activiteiten afremmen.

Deze belastingen leggen echter op bepaalde belastingplichtigen een aanzienlijke fiscale last.

Op 13 november 2024 heeft het Hof van beroep te Brussel nadrukkelijk herinnerd dat deze belastingen, hoewel zij een legitiem doel nastreven, slechts rechtsgevolgen kunnen hebben indien de formele vereisten van de toepasselijke regelgeving strikt worden nageleefd.

In de zaak die aanleiding gaf tot dit arrest, was een gebouw opgenomen in een gemeentelijk leegstandsregister. Deze opname leidde tot de toepassing van de overeenkomstige gemeentebelasting. De eigenaar-vennootschap betwistte deze beslissing en voerde aan dat het gebouw verhuurd was in het kader van een geregistreerde huurovereenkomst en dat er door de gemeente geen degelijk feitenonderzoek was verricht. Zij wees vooral op een fundamentele onregelmatigheid: de administratieve vaststellingsakte van de leegstand bevatte geen enkel fotografisch dossier, terwijl zowel het gemeentelijk reglement als een Vlaams besluit van 10 juli 2009 uitdrukkelijk een dergelijk stuk vereisen.

Het Hof van beroep herinnert in dit verband aan het toepasselijke wettelijke kader. De administratieve akte die de opname in het register van leegstaande gebouwen onderbouwt, moet drie onlosmakelijke elementen bevatten: een genummerde akte, een beschrijvend verslag en een fotografisch dossier dat de vaststelling van de leegstand materieel moet staven. Dit fotografisch dossier vormt een wezenlijk vormvereiste; het ontbreken ervan tast rechtstreeks de geldigheid van de akte aan.

In dit geval was de akte wel genummerd, maar bevatte zij geen enkele foto en verwees zij zelfs niet naar een dergelijk dossier. De door de gemeente voorgelegde documenten (loutere afdrukken uit het bevolkingsregister) konden dit gebrek niet verhelpen.

De juridische consequentie is duidelijk: bij gebrek aan naleving van een essentieel vormvereiste is de administratieve akte onregelmatig en kan zij niet dienen als geldige grondslag voor de opname van het gebouw in het register van leegstaande gebouwen. Deze onregelmatigheid volstaat op zich om de belasting te laten vernietigen, zonder dat het Hof de andere door de partijen aangevoerde middelen moet onderzoeken, met name die betreffende de effectieve bewoning van het goed.

Internationale fiscaliteit
15 januari 2025

Kan werken in het buitenland een vaste inrichting creëren?

De OESO biedt een verduidelijkt kader voor grensoverschrijdend werk vanuit een thuiswerkplek of een “andere relevante locatie”.

Onder welke omstandigheden kan het thuiskantoor van een werknemer een vaste inrichting (VI) van de werkgever vormen in de zin van artikel 5 van belastingverdragen? Bij gebrek aan expliciete bepalingen in belastingverdragen hebben Staten verschillende oplossingen ontwikkeld (interpretatieve akkoorden of administratieve richtlijnen), die vaak van elkaar verschillen en kunnen leiden tot inconsistente interpretaties en eventuele dubbele belasting.

In de update van 2025 van het Commentaar bij het OESO-Modelverdrag behandelt de OESO nu uitdrukkelijk situaties waarin een individu om persoonlijke redenen geheel of gedeeltelijk werkt vanuit een “andere relevante locatie” in de andere verdragsluitende staat die noch de lokalen van de onderneming, noch die van een andere verbonden onderneming (zoals een klant, leverancier of gelieerde onderneming) zijn. Een dergelijke “andere relevante locatie” kan de woonplaats zijn, maar ook bijvoorbeeld een tweede verblijf, een vakantiewoning, het huis van een familielid of kennis, enz.

De Commentaren leggen ook uit waarom dergelijke locaties verschillen van “klassieke” bedrijfsplaatsen: ze staan vaak onder controle van de werknemer, zijn niet toegankelijk voor andere personen van de onderneming en zijn nauwer verbonden met de privésfeer, waardoor de analyse complexer wordt.

De beoordeling in drie stappen

1) Drempel van 50%

(paragraaf 44.8 e.v. van het OESO-commentaar bij artikel 5)

Wanneer een werknemer 50% of minder van zijn werktijd gedurende een periode van twaalf maanden werkt vanuit zijn thuiswerkplek of een andere relevante locatie, vormt deze werkplek in principe geen vaste inrichting van de werkgever.

2) Het bestaan van een commerciële reden

(paragraaf 44.11 e.v.)

Wanneer de werknemer meer dan 50% van zijn arbeidstijd vanuit zijn woonplaats of vanuit een andere relevante plaats werkt, dient te worden nagegaan of zijn aanwezigheid in die Staat wordt gerechtvaardigd door een commerciële reden. Een dergelijke reden kan met name worden aangenomen wanneer de fysieke aanwezigheid van de werknemer in die Staat de uitoefening van de activiteiten van de onderneming vergemakkelijkt, met name door toegang te bieden tot middelen, infrastructuur of personen (zoals klanten, leveranciers of andere partners) die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze activiteiten.

3) Aard van de uitgeoefende activiteiten

(paragraaf 44.5)

Zelfs wanneer aan de twee voorgaande voorwaarden is voldaan, is er in beginsel geen vaste inrichting wanneer de activiteiten die vanuit de woning worden verricht een voorbereidende of ondersteunende aard hebben, overeenkomstig artikel 5(4) van het OESO-modelverdrag.

Conclusie

De update van 2025 van het OESO-Commentaar bij artikel 5 vormt een belangrijke ontwikkeling in de analyse van het risico op een vaste inrichting in een context van grensoverschrijdend werk en telewerk. De nieuwe paragrafen 44.1 tot 44.21 introduceren een meer gestructureerd kader om te beoordelen in welke situaties een domicilie of een “andere relevante locatie” kan worden beschouwd als een vaste bedrijfsinrichting van een onderneming.

Tegelijkertijd benadrukt de update dat het bestaan van een vaste inrichting nog steeds afhankelijk blijft van de algemene voorwaarden van artikel 5, met name de permanentie van de inrichting en het niet-voorbereidende of niet-ondersteunende karakter van de activiteiten.

In het algemeen beogen deze ontwikkelingen meer rechtszekerheid en een coherente interpretatie van artikel 5 in het licht van nieuwe vormen van arbeidsorganisatie. De praktische toepassing ervan zal echter afhangen van de wijze waarop belastingadministraties en rechtbanken deze richtlijnen zullen integreren in de interpretatie van bestaande belastingverdragen.

Nieuwsbrief
01 januari 2026

De belasting op meerwaarden

Financiële meerwaarden: de taks van 10% komt eraan (deze keer echt)

We zijn er.

De federale regering heeft de invoering aangekondigd van een belasting van 10% op de meerwaarden
gerealiseerd op financiële activa. Een belangrijke hervorming die vele
beleggers zal treffen.

Welke producten zijn betrokken?

De belasting richt zich op meerwaarden op financiële activa, onderverdeeld in vier grote categorieën:

Financiële instrumenten
Aandelen (genoteerd of niet), obligaties, fondsen, ETF’s, derivaten (opties, futures,
swaps), kasbons.

Verzekeringscontracten
Levensverzekeringen (takken 21, 23, 26 en 44).

Crypto-activa
Coins, tokens, NFT’s, stablecoins.

Valuta’s en gelijkgestelden
Beleggingsgoud, digitale munten van centrale banken (bijv. toekomstige digitale
euro), elektronisch geld buiten betaalrekeningen.

Belangrijke uitsluitingen om te kennen

De wetgever heeft echter verschillende noemenswaardige vrijstellingen voorzien:

  • pensioensparen, langetermijnsparen en groepsverzekeringen;
  • waardevolle voorwerpen (zilver, juwelen, kunstwerken, enz.), buiten beleggingsgoud;
  • inkomsten reeds onderworpen aan de roerende voorheffing van 30% (dividenden, interesten, coupons);
  • inkomsten reeds onderworpen aan de Cayman-taks;
  • meerwaarden gerealiseerd bij een verdeling na overlijden, binnen een termijn van drie
    jaar, na een overlijden, echtscheiding of beëindiging van wettelijke of feitelijke samenwoning.

Een vrijstelling… gedeeltelijk

Goed nieuws (tenminste gedeeltelijk):
de eerste €10.000 aan meerwaarden per persoon worden niet belast (ook voor
gehuwde koppels met een gezamenlijke rekening).

Deze vrijstelling is overdraagbaar over een maximale periode van vijf jaar.

Hoe zal de belasting worden geïnd?

De belastingheffing zal de vorm aannemen van een roerende voorheffing van 10%, direct ingehouden door
de financiële instelling of de verzekeraar, zonder onmiddellijke toepassing van de vrijstelling.

Het zal vervolgens aan de belastingplichtige zijn om de terugbetaling van het vrijgestelde deel
aan te vragen via zijn belastingaangifte.

Vanaf wanneer?

De inwerkingtreding wordt aangekondigd voor 1 januari 2026.

Let echter op: er is nog geen definitieve tekst gepubliceerd. De regering
overweegt niettemin een retroactieve toepassing, waarbij rekening wordt gehouden met de meerwaarde
historisch bepaald op 31 december 2025, vanaf de publicatie van de wet.

Heeft u twijfels, angsten, vragen?

Wij zijn er om u te begeleiden in uw procedures!

Grondrechten
8 januari 2026

Wanneer de fiscus te ver gaat: EHRM veroordeelt gebrek aan waarborgen bij toegang tot bankgegevens

Ferrieri en Bonassisa t. Italië (EHRM, 8 januari 2026)

In een zaak die voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd gebracht, ontdekten twee Italiaanse belastingplichtigen dat de belastingadministratie hun banken had verzocht al hun bankgegevens (rekeningen, transacties, financiële verrichtingen) te verstrekken in het kader van belastingcontroles. Deze maatregelen waren intern door de administratie goedgekeurd, zonder tussenkomst van een rechter en zonder voorafgaande gedetailleerde informatie aan de betrokkenen.

De verzoekers klaagden over een regeling die een zeer ruime toegang tot bankgegevens mogelijk maakte, zonder voldoende waarborgen. Volgens hen was de Italiaanse wet te vaag, liet ze een buitensporige beoordelingsmarge aan de administratie en voorzag ze in geen enkel effectief toezicht, noch voorafgaand, noch achteraf.

De regering daarentegen voerde aan dat deze maatregelen berustten op een duidelijke wettelijke basis en het legitieme doel van fraudebestrijding nastreefden, met procedurele waarborgen en bestaande rechtsmiddelen.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herinnert eraan dat toegang tot bankgegevens een inmenging in het privéleven vormt, beschermd door artikel 8 van het EVRM. Hoewel de strijd tegen belastingfraude een rechtvaardiging kan vormen, moet de inmenging “bij de wet voorzien” zijn en vergezeld gaan van voldoende waarborgen tegen willekeur.

Het Hof stelt vast dat het Italiaanse wettelijke kader ontoereikend is. De teksten zijn te algemeen en laten de autoriteiten een buitensporige beoordelingsvrijheid, terwijl de criteria uit administratieve omzendbrieven niet bindend zijn en de machtigingen niet gemotiveerd hoeven te worden. Bovendien ontbreken procedurele waarborgen: er is geen voorafgaande rechterlijke toetsing en de achteraf beschikbare rechtsmiddelen zijn inefficiënt of onzeker.

Het Hof concludeert daarom dat de regeling onvoldoende bescherming biedt tegen willekeur en dat de inmenging niet kan worden beschouwd als “bij de wet voorzien”. Het stelt dan ook een schending van artikel 8 van het EVRM vast.

Het Hof benadrukt het systemische karakter van het probleem en nodigt Italië uit zijn wettelijke kader te hervormen door de voorwaarden voor toegang tot bankgegevens te preciseren, een motivering van de beslissingen te vereisen en een effectieve, rechterlijke of onafhankelijke controle in te voeren.

Naast de Italiaanse zaak kan dit arrest gevolgen hebben in andere landen: elke directe administratieve toegang tot bankgegevens zonder effectieve onafhankelijke controle zou in het licht van deze rechtspraak kunnen worden verzwakt.